De kaasmakerij

De plek where the magic happens

Er moet nog het een en ander gebeuren voordat melk kaas wordt. Voor het maken van 1 kilo goudse kaas hebben we zo’n 9 liter geitenmelk nodig. Twee keer per dag melken wij de geiten en slaan we de melk op in onze kaastobbe. Deze tobbe bewaard de melk op de juiste temperatuur zodat we er later heerlijke kaas van kunnen maken. 

We verwarmen de melk tot de ideale temperatuur. Vervolgens voegen we er zuursel aan toe. Zuursel zorgt voor een betere houdbaarheid van de kaas, maar bijvoorbeeld ook voor de smaak en hoeveelheid gaatjes (oogjes genaamd). Als het zuursel zijn werk doet, voegen we stremsel toe aan de kaasmelk. Stremsel zorgt ervoor dat de vaste deeltjes waarvan wij kaas kunnen maken, samenklonteren. De vaste koek snijden we met messen in kleine stukjes. Hierbij komt de wei tevoorschijn. De wei bewaren we voor de varkens en de vaste deeltjes persen we in een speciale kaasvorm tot één geheel. Wanneer de deeltjes één geheel geworden zijn in de vorm, heb je al een kaas. deze kazen leggen we vervolgens in een zoutwater (pekel) bad. Het zout zorgt onder anderen voor de houdbaarheid, stevigheid en de smaak van de kaas.

Wanneer de kazen uit het pekelbad komen, mogen ze opdrogen en rijpen in de rijpingsruimte. We voorzien de kazen van een speciaal plastic laagje (kaascoating) om ze te beschermen tegen schimmelvorming en uitdroging. Na vier weken zijn de kazen klaar om gegeten te worden. Natuurlijk laten we veel kazen nog wat langer liggen zodat ze beetje bij beetje meer op smaak komen.